Een anekdote uit de memoires van mijn vader.

Zijn vader had in de 2e Wereldoorlog een illegale vleeshandel aan huis in de Balistraat 121-HS.

Auteur: Photo0047.jpg Arie Copier
1 Fan
Balistraat, Indische Buurt

1 à 2 keer per week ’s morgens om 4 uur werden de bouten vlees in zakken met de melkwagen bij ons thuis gebracht. Wij zaten dan te wachten, want het moest wel snel gaan. Zodra wij de wagen hoorden, stonden we al op de uitkijk en als alles veilig was, ging de buitendeur open en hielpen we de zakken met bouten in de gang te smijten, roetsj de deur dicht en de melkwagen weer weg. Pas dan brachten wij het naar de schuur achter in de tuin waar mijn broer, die slager was, het ging uitbenen en klaarmaken voor de verkoop.

Coba (1892) en Arie (1888) Copier

Coba (1892) en Arie (1888) Copier

Ik kwam een keer thuis en vond mijn moeder geheel in paniek. Wat was het geval, mijn vader leverde regelmatig vlees aan een slager. Die voerde daarmee zijn rantsoen op, doch betalen was er op een gegeven moment niet meer bij. In vol vertrouwen had vader nog een paar weken aan hem geleverd, maar toen hij om z’n geld begon te vragen, werd hij steeds met een smoes omgepraat. Nadat het bedrag al aardig opgelopen was, begon vader op betaling aan te dringen en leverde hij niets meer, eerst moest er betaald worden. In die tijd werden de briefjes van duizend ongeldig verklaard en moesten ingeleverd worden. Hiermee ging vader aardig het schip in, want omdat het daarmee makkelijker met de boeren afrekenen was dan met die rottige zilverbonnen van 1 of 2½ gulden, had hij er nog verschillende achter de hand. Die kon hij natuurlijk niet verantwoorden, dus dat werd een flinke strop. Her en der heeft hij ze nog tegen een gemiddelde prijs van ƒ 300,00 kunnen verkopen, dus per duizendje een strop van ƒ 700,00. Door deze strop heeft hij toen die slager voor het blok gezet dat hij binnen een paar dagen zijn geld moest hebben. Toen hij op de afgesproken tijd naar die slager ging om te vangen, had die weer een smoes klaar. Briesend was hij thuis gekomen en liep zich hoe langer hoe kwader te maken. Opeens was hij de schuur ingegaan en had een uitbeenmes gehaald. Tegen mijn moeder zei hij dat hij weer naar die slager ging en “nu zal hij betalen, anders steek ik hem kapot”.  Dit was net gebeurd voordat ik thuis kwam. “Ga hem achterna en probeer hem tegen te houden want hij is in alle staten”, zei mijn moeder. Bij de slagerij aangekomen trof ik hem wel aan, maar zag geen slager. De slagersvrouw was heel zenuwachtig in allerlei potjes en zakjes aan het zoeken, terwijl die ouwe heel kalm stond te wachten. Zij was maar aan het huilen van: “Mijn man gaat dood”. Ik begreep er helemaal niets van en als ik iets vragen wilde, bromde hij: “Bemoei je er niet mee!” Wat was er nou gebeurd: terwijl hij er op de fiets naar toe reed, was hij alweer gekalmeerd en had een ander plan uitgedacht. Zodra hij binnen was gekomen, had hij nogmaals om zijn geld gevraagd en toen het antwoord hem niet aanstond, had hij de slager opgepakt en in z’n eigen koelcel opgesloten. “Nu zorg jij maar gauw dat ik mijn geld krijg”, had hij tegen zijn vrouw gezegd, “eerder komt hij er niet uit”. Nadat alle potjes en “een oude kous” tevoorschijn kwamen, was er genoeg om te betalen en gaf hij mij een wenk dat ik die kerel uit zijn koelcel kon laten. Als ik aan dat moment terug denk, kan ik er nog steeds hartelijk om lachen. Die kerel zag eruit als een Eskimo, zijn haren en snot zaten onder het ijs en hij was blauw en stijf van de kou. Je had ons samen terug moeten zien fietsen, de mensen moeten gedacht hebben, die twee zijn goed gek of dronken, zo’n pret hadden wij. Thuis gekomen en het verhaal aan mijn moeder verteld, kon die natuurlijk ook niet meer bijkomen. Zij had behoorlijk in angst gezeten en mijn vader kennende, wist ze ook dat hij veel kon hebben, maar dat als het tot aan zijn lippen stond, hij niet meer te houden was. Blij dat het zo afgelopen was, kon ze toch niet nalaten om ons uit te schelden voor vuile rotkerels, want die slager had wel dood kunnen vriezen.

Naschrift:
Mijn vader is in augustus 1944 verraden en opgepakt voor illegale vleeshandel. Eerst een paar maanden Amersfoort en toen naar het Oranje Hotel in Scheveningen. Door een Duitse rechter werd hij tot 8 jaar veroordeeld en is hij naar de gevangenis in Rotterdam gebracht. Omdat hij door een Duitse rechter veroordeeld was en niet door een Nederlandse, werd hij gelukkig gelijk na de bevrijding weer vrijgelaten.

Alle rechten voorbehouden

331 keer bekeken

Bekijk meer afbeeldingen

Oude Arie (1888), kleine Arie (1947) en jonge Arie (1923) Copier

Oude Arie (1888), kleine Arie (1947) en jonge Arie (1923) Copier

Alle rechten voorbehouden

3 reacties

Voeg je reactie toe
Arie Copier

Re: Wat een verhaal

Peter,

Mijn neven Wim, Ton en Harrie Copier woonden inderdaad in de Boetonstraat. Wim is helaas al overleden.

kitty

slager

jeetje  wat een verhaal wat  een spanning ook...maar alles tot een goed einde gekomen gelukkig 

Peter de Vries

Wat een verhaal

Wat een verhaal Arie, met gelukkig een goede afloop. 

Wonende in de Boetonstraat  heb ik nog wel een Wim Copier gekend, die met mijn oudste broer Dries de Vries omging (mogelijk van school)