HET ONDERDEEL

Verteller: Rob Spel
Auteur: Rob Spel
Rob Spel eigen foto bij het verhaal over 'Het Onderdeel'.

Rob Spel eigen foto bij het verhaal over 'Het Onderdeel'.

 

Tien jaar word ik, volgende week, 21 juli 1950. Op de 8e Montessorischool ben ik net over naar de vijfde groep en sowieso voel ik me als op een feest. Dat komt door de grote belofte, of ik mag wel zeggen De Grote Belofte.

Al een maand of vier doet mijn vader geheimzinnig. Mamma ook wel, maar je kan zien dat mijn vader op iets broedt. Aan tafel bijvoorbeeld. Dan zit-ie me aan te gluren en als ik vraag wat er is, dan zegt-ie: o, niks hoor, waarbij hij zo'n beetje lacherig wegkijkt of met mijn moeder een blik van verstandhouding wisselt. Nou ben ik ook niet gek, maar tussen raden en weten zit nog een hele wereld, laat staan tussen hoop en zekerheid.

Bij Wickel om de hoek kun je een fietsje huren. Kwartje per uur. Soms mag ik dat, maar mijn moeder zegt dat ze niet aan de gang kan blijven. Zo ontstond het verlangen naar een eigen fiets. De meeste jongens op school hadden er allang een, maar wij waren nu eenmaal arm.

Dat is een verhaal op zichzelf. Op maandagochtend moest je geld meenemen, voor schoolgeld en voor ouderfonds. De meester las onze namen voor, en het bedrag dat je bij je moest hebben. Otto 26 cent, Peter 32 cent, Piet 22 cent, Robbie... 8 cent. God,wat schaamde ik me op dat moment, wij moesten wel straatarm zijn.

Maar goed, die fiets dus. Op een dag liep ik langs de fietsenwinkel en verdomd als het niet waar is, binnen stond mijn vader te smoezen met meneer Wickel, het zou toch niet waar zijn? Maar ja, het was pas februari, mijn verjaardag was nog bijna een half jaar weg.

Een tijdlang gebeurde er niets en langzamerhand verdween het idee uit mijn hoofd, het was ook eigenlijk niet echt mogelijk. Tot ik weer eens een fietsje had gehuurd. Na een uurtje bracht ik het terug. Deze keer nam mevrouw Wickel het aan. 'Zo, nog even jochie, dan heb je ons niet meer nodig hè?'

Het verlangen was er weer, en nu heviger dan ooit, af en toe kon ik er niet van slapen en nu de grote vakantie was aangebroken had ik ook nog de hele dag de tijd om eraan te denken.

Soms keek ik op straat naar al die mensen met een fiets, bijna iedereen had er een, dus zó bijzonder was dat nou ook weer niet, zo hield ik mezelf voor. Ook dat hielp niet echt.

Maar eindelijk was het zo ver. Ik hield me slapend toen mijn ouders langzaldieleven zingend mijn kamertje in kwamen. Op mijn deken werd een pakje gelegd wat in elk geval geen fiets kon zijn. Er bleken een schetsboek en een paar potloden in te zitten. Toen zei mijn vader: 'En kom eens mee jij...' Hij opende de linnenkast in de grote slaapkamer, mijn vader moest op zijn tenen gaan staan, maar daar kwam vanachter de stapels handdoeken dan toch een pakje in grauw papier tevoorschijn. Dat kon nooit een fiets zijn, zag ik.

'Je hoopte het misschien al,' zei mijn vader, 'voor je tiende verjaardag krijg je van ons een fiets. Hij is alleen nog niet klaar, meneer Wickel zet 'm in elkaar van gemoffelde onderdelen en hij mist er nog een paar. Maar... hier jongen, pak maar uit.'

Het was een zadel, maar dan wel een splinternieuw zadel!

 

Rob Spel 1940

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Alle rechten voorbehouden

82 keer bekeken

Geen reacties

Voeg je reactie toe