Ons Huis - Deel 1

Faradaystraat 1-boven, Amsterdam

Faradaystraat

Mijn moeder, Co Streutker - Brouwer, heeft dit verhaal in 1984 neergeschreven en ik heb haar toestemming om het te delen. Ze is nu 88 jaar.

Brouwer gesin (voorjaar 1942)

Brouwer gesin (voorjaar 1942)

 

Maandagavond 23 februari 1948 staat Oom Jaap serviesgoed in papier te draaien. Op de eetkamertafel staan stapels borden, schalen, kopjes en schoteltjes.  Het buffet en het theemeubel zijn leeg - achter de glazen deurtjes is een donker gat.  Pappa staat in het lamplicht te kijken hoe Oom Jaap behendig het ene stuk na het andere in papier wikkelt.  ‘Jaap wat doe je dat handig. Ik kan beter een penhouder vasthouden’, zegt pappa.

‘s Middags hebben wij onze eerste hond gekregen. Het is een witte fox terrier met zwarte vlekken op zijn vacht Hij jankt en blaft zenuwachtig bij alle rommel om ons heen.

 

Dinsdagmorgen staat de verhuisauto voor de deur. Vanaf de erker op de eerste verdieping lijkt hij groot.  Alles wordt door de verhuismensen één voor één de trap afgedragen. De huiskamerstoelen staan zomaar op het trottoir.  Het bovenhuis wordt hoe langer hoe leger en kaler. De smeedijzeren schemerlamp, de tafel, de stofzuiger en de traproeden zijn in het midden van de voorkamer. De gordijnen hangen er niet meer. De muren hebben lichte plekken op het behang waar iets heeft gehangen. De traplopers zijn opgerold. Het is een vreemde plek geworden. Ik ben in dit huis geboren. Dit is mijn huis.

 

Wij zijn vroeger wel anderhalf jaar weggeweest; in het begin van de oorlog. Er is een afweergeschut achter de Emmakerk gekomen. Nelleke is een baby. Pappa vindt het beter als mamma met ons, bij haar moeder in Oosterbeek gaat wonen. Pappa is accountant en reist het hele land door. Maar al die tijd weet ik, dat wij weer naar ons huis gaan.

 

Dit keer heeft pappa werk aangenomen in Wageningen. Hij hoopt meer thuis te zijn. Hij spot: ‘De kinderen zullen wel zeggen “Wat is dat voor een vreemde man die zaterdags thuiskomt?“ ‘Hannie heeft bronchitis en hopelijk is zij minder ziek in het drogere Gelderland.

 

Ik klots nog een keer de houten traptreden van de onderste trap op. Wij gaan naar een houten benedenhuis in een bos. Het houten handvat met de lange ijzeren stang om de voordeur van bovenaf open te doen, zal er niet zijn. Je hoeft niet eens een trap op te lopen over een kokosloper met koperen roeden. Het hekje bovenaan de trap, toen Nelleke klein was, is allang weg.

 

Wij hebben twee toiletten - al twee rechts van de trappen. Je moet eerst het bruine lichtknopje omdraaien, anders is het zó donker aan de binnenkant. En zou er ook zo’n piepklein fonteintje in het nieuwe huis zijn?

 

Hé, de geel geverfde keukenkastjes met de glasdeurtjes boven het aanrecht gaan niet mee.  Ik kijk nog een keer naar de plank. Kaal, nu de witte bussen met blauwe strepen en de zwarte schrijfletters suiker, sago, koffie en thee, weg zijn. Op het zwartwitten granieten aanrecht stonden in de hongerwinter twee zelfgeprakkizeerde olielampjes. De elektriciteit en het gas zijn afgesloten in Amsterdam. Twee jampotjes gevuld met raapolie, een ijzeren staafje over de buitenrand en in het midden een lamppit. Ze stralen zo gezellig op de gele muurtegels - dan schijnen in de hoek veel meer lichtjes. Op een avond zullen mamma en ik gaan afwassen. Wij komen in de koude keuken en ineens gaat het ene lichtje uit en even later het andere. ‘Wij zullen er maar om lachen’, zegt mamma uit het donker. Ze lacht en wij gaan op de tast weer naar de huiskamer. Ik laat mijn vinger nog even in het geultje van het aanrecht glijden. 

 

Tussen het aanrecht en het openslaande raampje, staat het fornuis. Buiten is het oorlog,  maar binnenin de keuken ruikt het elke week naar eigen gebakken brood. Uitgerezen brood in de bakblikken en in het witte emaille kroesje met het blauwe randje komen uit de oven. Mamma tikt met de houten lepel tegen de achterkant van het kroesje. Het kadetje valt er uit. Om de beurt mogen wij het kleine broodje alleen opeten. Het is zó warm van binnen. Het kraakt in je mond. De geel geverfde veranda bij de keuken mag ik donderdags met sop schoonmaken. Ik wil graag werkster worden. Mevrouw Versteeg maakt het sop en ik mag alle spijlen schoonmaken. Een lekker werkje om zo met water te knoeien. De ijzeren vuilnisemmer staat nog op zijn plek. Gaat ook niet mee.

 

lees verder:

Verhuizen uit de Faradaystraat

 

 

                                                                                    24 februari 1948

 

 

Alle rechten voorbehouden

207 keer bekeken

Geen reacties

Voeg je reactie toe