Goede Vangst

Verteller: Quirinus Hoogland




Op een dag in het voorjaar van de vijftiger jaren ga ik met zwager, Jan, op visvangst. Tenminste, Jan gaat vissen en ik ga voor spek en bonen mee. Lekker even de sleur van alledag doorbreken. Mijn zwager is een verwoed visser en heeft dan ook een keur aan materialen bij zich. Hengel keurig in een zeildoekse foedraal. Haakjes, loodjes en alles wat er verder bij het hengelen komt kijken opgeborgen in een kistje, verdeeld in vakjes.

Foto Sean McEntee Bron: Flickr

Foto Sean McEntee Bron: Flickr

Laat in de middag stappen we op de fiets en rijden de polder in. Er moest gesnoekt worden en die vang je het beste tijdens de nachtelijke uren. Zo werd het mij verteld en ik zal de laatste zijn die het niet zou geloven. Visserslatijn was mij toentertijd nog vreemd.

Via allerlei weggetjes en paadjes kwamen we ergens in de buurt van Weesp op een goed visplekje. De fietsen werden aan de kant gezet en het aas om de vissen te lokken uitgezet. Nadat het voorbereidende werk was gedaan, ging de hengel te water en begon het turen naar de dobber. Een ongelooflijk lange klus, want wat er ook gebeurde, het simmetje ging niet onder.

Het werd donker en nadat de meegebrachte boterhammen waren opgegeten, begon de slaap vat op mij te krijgen. Mijn oog viel op een in de buurt staande hooiberg en geloof het of niet, binnen het uur was ik onder zeil en droomde van alles behalve over vissen. Tegen de tijd dat de zon boven de kim verscheen, werd ik wakker en voegde ik mij bij mijn zwager, die nog altijd op de eerste vis zat te wachten.

Quasi geinteresseerd vroeg ik hem of hij er nog wat van verwachtte. Volmondig, hij was net met zijn laatste boterham bezig, gaf hij toe dat hij meer had verwacht, maar dat wat niet is nog komen kan. En weer begon het wachten en turen. De dag verstreek en de zon was al over zijn hoogtepunt heen toen Jan besloot om het maar op te geven en het een andere keer nog maar eens te proberen.

Zwager, Jan, pakte zijn spulletjes bij elkaar, maar aan zijn gezicht zag ik dat er iets schortte. En na een poosje kwam de aap uit de mouw en biechtte hij op dat hij niet graag met lege handen thuiskwam. Daar kon ik inkomen, maar als de vis niet wil bijten, houdt het geluk van de hengelaar op.

Een paar eenden vochten om de laatste stukjes brood en brachten Jan op een lumineus idee. Met een snelle greep kreeg hij twee van die kwakers te pakken en stopte ze in zijn fietstas. Wat de bedoeling ervan was begreep ik toen nog niet, maar vernam ik later pas toen we op weg naar huis waren. Hij zou ze slachten en plukken en er soep van koken. Het zou best smaken.

De terugweg ging minder snel dan de heenweg en zo gebeurde het dat toen we thuis aankwamen, het eten al op tafel stond. In een moment van helderheid stopte Jan de eenden in het gootsteenkastje en zo waren ze veilig opgeborgen. Tijdens de maaltijd werd er niet veel gesproken en door de warmte werden wij, vissers, doezelig en vergaten de eenden in hun isolement.Toen de maaltijd was afgelopen, ging mijn moeder naar de keuken , pakte het afwasteiltje van onder de aanrecht en……….vloog met een gil van schrik terug de kamer in. Achter haar aan waggelden de eenden met klepperende poten over het zeil. Na de opsluiting in de donkere ruimte waren zij blij over de bevrijding en uitten dit, tot grote hilariteit van ons allen, door luidkeels te kwaken. 
Quirinus,maart 2011

 

 

Alle rechten voorbehouden

47 keer bekeken

Geen reacties

Voeg je reactie toe