Toen ik een keer voor een boodschap naar Boutelje werd gestuurd, heb ik eens een gouden tientje gevonden. Het was er ook nog eens een met een diamantje. Mijnheer Boutelje was net even naar achteren om iets te pakken, toen ik iets zag liggen. Ik dacht eerst nog dat het een kwartje was. Je begrijpt wel, dat liet ik natuurlijk niet liggen. Ik stopte hem gauw in mijn zak. Ik wilde het aan mijn vader laten zien, want een kwartje was best veel geld voor ons. Ik heb verder niets gezegd.
De boodschap die ik moest halen was een onsje oude kaas. Toen ik thuiskwam met mijn boodschap. vertelde ik het verhaal. Ik zei dat ik een kwartje had gevonden. Maar mijn vader zag al direct dat het iets anders was. Het was een gouden tientje.
Ik mocht met mijn vader later mee naar de lommerd in de Gerard Doustraat (stadsbank van lening). Mijn zusje mocht ik niets vertellen, later wel hoor!
Naderhand kreeg ik een dubbeltje van hem. Dat gouden tientje leverde trouwens 17 gulden op. In die tijd, begin jaren dertig, zeker een weekloon. Later, toen mijn vader in de werkverschaffing zat en werkte aan de Bosbaan, kreeg hij ook zoveel.
Met mij dubbeltje ben ik naar tante Betje gegaan. Daar kocht ik eerst een koningsbroodje en een toffee in de hoop nog iets extra’s te winnen.
Daarna, telkens als ik weer naar school in de Christiaan de Wetstraat ging, kocht ik iets bij haar. Net zo lang, tot het dubbeltje op was.
Â