Blasiusstraat 130

De Staat procedeert in 1903 tegen groenteman Van Praag

Auteur: Frits Prior

In 1903 was mijn grootmoeder Heintje Turfrijer 9 jaar oud. Ze zal zeker iets gemerkt hebben van de onrust in de buurt toen alle treinstations in Amsterdam ‘plat’ gingen. Het dagelijks gefluit van de stoomtreinen verstomde. De Blasiusstraat stond bekend als ‘de roode burcht van de S.D.A.P.’ en het zal in de sigarenwinkel van haar vader op 115 gegonsd hebben van de geruchten en berichten over die gebeurtenissen. Misschien heeft ze ook iets gemerkt van heibel in de straat en de arrestatie van groenteman Van Praag, recht aan de overkant.

Worg-prent van Albert Hahn

Worg-prent van Albert Hahn

Van 1901 tot 1905 regeerde er in Nederland een rechts kabinet onder aanvoering van Abraham Kuyper, de leider van de antirevolutionairen. De belangrijkste gebeurtenis waar hij mee te maken kreeg, was de Spoorwegstaking van 1903. Kuyper trad daar keihard tegen op en wist met zijn worgwetten zelfs een stakingsverbod voor ambtenaren aangenomen te krijgen. De arbeiders en kleine middenstanders waren teleurgesteld in de man die er op voorstond de ‘kleine luyden’ te vertegenwoordigen. In Het Volk: dagblad voor de arbeidersbeweging verscheen de zogenaamde worg-prent van Albert Hahn met de tekst ‘Zoo temt men dieren, zoo bedwingt men wilden, maar zoo regeert men geen volk’. Het was een citaat van Kuyper uit 1891 uit zijn Maranathalezing waarin hij zelf juist aangaf dat de overheid de bevolking niet mag knevelen en onderdrukken.

Groenteman Israël Samuel van Praag (1860), Blasiusstraat 130 hs, hing de prent in april 1903 van de straat af zichtbaar op. Kuyper zelf diende geen aanklacht in, maar de staat wel. Het zou gaan om ‘belediging van een ambtenaar in functie’. Niet de tekenaar van de prent, maar drie krantenverkopers die de beledigende prent publiekelijk vertoonden, werden voor de rechter gebracht. De zaak Van Praag werd in alle kranten breed uitgemeten en diende tot in de Hoge Raad. De socialisten wilden vrijspraak voor de groenteman, zodat vastgelegd werd dat kritiek op de staat binnen de grenzen van de wet mogelijk was.

Van Praag ging ruim een half jaar na het begin van de affaire failliet en werd (weer?) schijvenschuurder. Zulke faillissementen waren niet ongewoon. Om de haverklap gebeurde het dat een koopman of winkelier zijn schulden niet kon betalen. Zo gingen in 1922 twee ooms van mijn oma– de gebr. Matteman – failliet: hun bioscoopplannen mislukten. En haar oom Emanuel die een bonthandel had, onderging hetzelfde lot. Buurman bakker Levisson ging meer dan tien jaar eerder al eens failliet. Vaak werd een faillissement niet lang daarna weer opgeheven omdat er van een kale kip niet veel te plukken viel. Net als bij Levisson kon de handel na enige tijd weer voortgezet worden.

44 keer bekeken

Geen reacties

Voeg je reactie toe