In 1978, vlakbij het Burgerziekenhuis waar ik lesgeef, duikt een allochtoon jongetje voor me op: “Meneer, fiets kopen?” Ik heb een fiets nodig, er zijn er al meer dan tien van me gestolen sinds ik in 1968 in de stad kwam wonen. Maar nooit heb ik er een terug willen stelen. De verleiding is nu groot. “Wat moet-ie kosten?” “25 gulden, meneer.” Dat is een belachelijke prijs voor die mooie groene herenfiets. Maar in dit zwakke moment steek ik hem het geld toe.
Begin mei 1982 rijd ik ermee vanuit de Wagenaarstraat naar Hoek van Holland, en na de overtocht naar Engeland, van Hull over Edinburg naar Glasgow. Alwaar ik een cursus epidemiologie volg. Dan fietsend terug naar Hull en dan weer naar huis. Je raakt zo meer en meer gehecht aan je groene kameraad. Helaas, hij wordt niet lang daarna gestolen. Ik heb slechts het ringslot gebruikt, de om het frame gewikkelde ketting met hangslot niet.
Ik ga door een waar rouwproces. Tot mijn partner Martien opgewonden komt vertellen dat zij hem heeft gezien. Vastgemaakt aan een hek aan de Linnaeusstraat. Met de sleuteltjes ren ik erheen. Ja, dit is mijn geliefde. Het sukkelboefje heeft mijn ketting gebruikt om zijn draadslot aan het hek vast te maken. Dus kan ik mijn fiets gemakkelijk bevrijden. Een heerlijke tocht door Vlaanderen en Noord-Frankrijk met Martien en onze jonge dochter Maaike rijd ik erop, en een jaar later maken we zo een tocht door Noord-Portugal.
Noodlot: in 1986 wordt mijn fiets opnieuw gestolen. Inmiddels ben ik wel zeer gehecht. En het wonder geschiedt: bij het Amstelstation zie ik een jongeman met een fiets. De mijne. Ik schiet hem aan en hij komt met een heel verhaal, dat schimmig is en waar je geen greep op krijgt. Tenslotte laat ik hem maar gaan… met fiets. Oud spreekwoord: gestolen goed gedijdt niet.