STERRENBEELD

Het verhaal van een gewone jongen uit Oost en een bijzonder meisje uit IJburg

Verteller: Anneke Koehof

Zij heeft zich brutaalweg zijn schuilplaats aan de rand van het Flevopark toegeëigend...

Sterrenbeeld

Sterrenbeeld

 

Sterrenbeeld

Hij bespiedt haar in de schaduw van de bomen.

Zij heeft zich brutaalweg zijn schuilplaats aan de rand van het Flevopark toegeëigend. Onverstoorbaar ligt ze in de beschutting van een oude grafzerk op een bed van koperkleurig herfstblad en gaat geheel op in het bestuderen van de hemel.

De nacht is helder en daar, noordwaarts, schuin onder de Kleine Beer, beschermd door de Draak en vlak onder de Zwaan, bevindt zich haar naamgenote, aan wie ze zich zo graag spiegelt. Als de heldere najaarsnacht plaats moet maken voor flarden ochtendmist zingt ze zacht en verlangend een lied.

Hij overziet de situatie. O, wat weet ze goed dat ze mooi is in haar helderrode jas, die aan de onderkant geraffineerd overgaat in een rozige glans. Haar hals en lippen kleuren bleekwit in het omfloerste zilveren schijnsel van de maan, haar ogen zijn omrand met eyeliner en op elke wang is, vlak onder het oog, een zwarte traanvormige vlek getekend. Aan haar voeten draagt ze donkere sokjes.

Ze rekt zich omstandig uit, verlaat het knisperend bed en verdwijnt in de nacht. Ze passeert hem rakelings en als ze hem heeft opgemerkt dan laat ze dat niet blijken, maar haar bedwelmende geur blijft in zijn neusgaten hangen.

Zal hij haar achterna gaan? Nee, hij heeft zijn trots.

Maar wat als ze een ander tegenkomt, een knappe donkere vent, misschien tippelt ze daar wel op. Hij is een gewone jongen, een beetje kleurloos, met een lichte huid, niet klein of onknap. En hij heeft haar wat te bieden! Een woonplek met eigen ingang, niks te delen met anderen. Hij moet hollen om haar in te halen.

Ze heeft zich verstopt achter een bosje en als hij haar bijna voorbij loopt komt ze plotseling tevoorschijn.

'Haha, gefopt.' Ze heeft een hoge stem.

Lang kijken ze elkaar alleen maar aan en dan begint het aloude spel van aantrekken en afstoten. Ze omhelst hem, maar als hij reageert dartelt ze het pad af totdat ze zich weer door hem laat inhalen.

'Waar kom je vandaan,' fluistert hij in haar oor, 'ik heb je hier nooit eerder gezien.'

'Daar, over het water.'

'Maar dat is toch gevaarlijk, die brug en al dat verkeer?'

'Ik ben niet bang,' antwoordt ze. 'Mijn moeder vindt me een droomster, maar ik loop echt niet in zeven sloten tegelijk. En bovendien neem ik een andere route.'

'Welke dan?' Maar dat vertelt ze niet, dat is haar geheim.

Hij bewondert haar, wat een meid!

Met wiegend achterwerk gaat ze hem voor.

 

In de koele herfstnachten vrijen ze in de buitenlucht en pas tegen de ochtend gaan ze naar zijn woonplek, een lange gang met aan het eind een kamer, waar ze de dagen luierend en slapend doorbrengen.

Hij verwent haar met de heerlijkste hapjes, waarvan ze zich gewetenloos geen enkele keer afvraagt waar hij die vandaan haalt.

Soms verdwijnt ze een dag of twee voor een bezoekje aan haar moeder en zusjes, maar ze wil hem niet mee hebben. Ongerust maakt hij zich niet meer, want ze komt steeds weer terug.

Als de avonden kouder worden blijven ze wat vaker binnen, ze is onrustig, heeft nukkige buien, snauwt hem af en vraagt hem meer eten mee te brengen. Hij kan het bijna niet aanslepen en al gauw is er geen hap meer in voorraad, hij moet bijna dagelijks uit stelen om haar tevreden te houden.

 

Tot die keer dat het bezoekje aan haar moeder wel erg lang duurt, hij wacht en wacht, loopt steeds weer naar de verlaten begraafplaats en zoekt tegen beter weten in achter de grafzerken in de hoop dat ze plotseling tevoorschijn komt, haha, gefopt! Ze zal toch niet met een ander...

Hij durft de gedachte nauwelijks toe te laten.

 

Hij hoort niet het snerpend remmen, ziet niet hoe zij wordt meegenomen, leest niet het bericht dat een jonge drachtige vos, waarschijnlijk over de tramlijn vanaf IJburg, naar het Centrum is gelopen en daar aangereden werd aangetroffen.

 

Maar uiteindelijk heeft hij het begrepen. 's Nachts, op zijn koperkleurige bed, huilt hij droevig naar de maan, speurt de hemel af en daar, noordwaarts, schuin onder de Kleine Beer, beschermd door de Draak en vlak onder de Zwaan ziet hij zijn geliefde Vosje.

 

Anneke Koehof ©  2014

 

 

 

 

 

Alle rechten voorbehouden

105 keer bekeken

Bekijk meer afbeeldingen

STERRENBEELD VOSJE.png

STERRENBEELD VOSJE.png

2 reacties

Voeg je reactie toe
Corrie Groen- Pickhard

Huilen naar de maan.......

Moeder de Gans,

Wat een mooi, maar droevig sprookje bedacht naar aanleiding van een krantenbericht. Ontroerend.

 

slim verstopt

Mooi, Anneke! Met deze titel heb je de toedracht slim verstopt, net zoals 'zij' dat met zichzelf deed. Heel even dacht ik dat het een romantische vertelling werd over een meisje en een jongen die ergens in de buurt van het Flevopark woonden, maar langzaam ontvouw je het verhaal en geef je de identiteit weg van je hoofdpersonen (?). Prachtig gedaan, ingenieus verteld. En mooi een beetje in de traditie van De Vos Reinaerde.