Kindertijd zonder huiselijkheid en zonder geld.

Het was ieder voor zich

“Echt honger heb ik als kind niet gehad” vertelt Willy van Niekerk, die als jongste van 6 kinderen in 1932 werd geboren in de Indische buurt.

Kinderen van de Menadostraat, ongeveer 1937 Willy zit op de voorste rij met een emmertje. Waarschijnlijk foto van straatfotograaf, Willy kreeg de foto jaren later van en straatgenoot, zelf hadden haar ouders de foto niet gekocht.

Kinderen van de Menadostraat, ongeveer 1937 Willy zit op de voorste rij met een emmertje. Waarschijnlijk foto van straatfotograaf, Willy kreeg de foto jaren later van en straatgenoot, zelf hadden haar ouders de foto niet gekocht.

 

 

 

“Mijn moeder kon goed koken en maakte eten wat stevig in je  maag stond, stamppot met veel vet bijvoorbeeld. Op  onze boterham zat niks en fruit of snoep kregen we nooit, maar ik was toch nog wel zo kieskeurig dat ik aan  andere kinderen die ook gratis middageten kregen in de eetzaal aan de Zeeburgerdijk  vroeg wat de dagschotel was. Als het gortepap met rozijnen was kwam ik niet. Die eetzaal was overigens ’s avonds  ook open voor arme volwassenen. Dat we arm waren merkte je ook aan onze kleding, af en toe kreeg mijn moeder bonnen voor kleren. Dan liepen we naar een magazijn in de van Reigersbergerstraat en dan kregen we kleren van de steun. Alles was hetzelfde:voor meisjes waren het blauwe jurken met rode knopen, zwarte wollen kousen met een rode naad, klompen en een zwarte cape. Ik vond het vreselijk, op school werd je uitgelachen en als jongste droeg ik ook vaak de afgedragen steunkleren van mijn zussen. Mijn moeder kreeg 9 gulden steun in de week, de rest verdiende ze erbij door in werkhuizen te werken. Ze was al voor 6 uur de deur uit en als ze dan eens thuis was, zat ze vaak bij de buurvrouw te kletsen. Wij hebben als kinderen ons zelf grootgebracht  en de sterkste kreeg het meeste: als ik aan het ontbijt kwam hadden mijn broers vaak het brood al opgegeten. Ik herinner me nog goed dat ik nooit gehaald of gebracht werd op de kleuterschool .Er was ook weinig onderlinge band tussen mijn broers en zussen, alleen mijn oudste zus heeft veel voor mij betekend. Zij leerde mij – toen ik groter was – mijn eigen kleren te naaien op haar naaimachine

Toen mij ouders in de Menadostraat kwamen wonen – ik was nog een baby – mochten ze er aanvankelijk gratis wonen omdat mijn moeder het trappenhuis schoonmaakte.  Het huis was net opgeleverd, op de benedenwoningen woonde nog niemand.

Mijn vader kon niet werken, hij was ziekelijk en bracht de dag vaak door op zijn bootje, dat in het Nieuwe Diep lag. Hij heeft me leren zwemmen door mij aan een touw gebonden in het water te gooien, nadat hij me verteld had dat ik zou blijven drijven als ik mijn armen en benen uitsloeg. Ik was erg op mijn vader gesteld en vond het vreselijk toen hij in het Burgerziekenhuis werd opgenomen. Je mocht pas op bezoek in de ziekenzaal nadat je een kaartje had afgegeven aan de zuster die op de gang zat. Na een paar weken kwam hij thuis, waar hij is overleden. Mijn zus zei “niet huilen, denk aan moeder” en ik heb mijn verdriet ingeslikt. Sindsdien kan ik niet meer huilen “.

lees ook:       Slechts 4 jaar lagere school

Alle rechten voorbehouden

263 keer bekeken

Bekijk meer afbeeldingen

nog meer kinderen uit de Menadostraat

nog meer kinderen uit de Menadostraat

het oliestel uit ouderlijk huis

het oliestel uit ouderlijk huis

Geen reacties

Voeg je reactie toe