wandeling door Transvaalbuurt en Ringdijk.

Verteller: Harry Koopman
1 Fan
Transvaalbuurt

Bedoeld als vervolg op mijn verhaal over de Leonardusschool

Ringdijk 30 Smederij en Koperslagerij, laschinrichting - ± 1950 .<br />Foto: Jan van Deudekom

Ringdijk 30 Smederij en Koperslagerij, laschinrichting - ± 1950 .
Foto: Jan van Deudekom

Alle rechten voorbehouden

 

In dit verhaal neem ik u mee vanaf mijn geboortehuis in de Louis Bothastraat nr. 8-2 hoog. Dat was in 1930 ik ben nu dus 88 jaar. Ik sla de gruwelijke gebeurtenissen, die daar tijdens WOII, zoals overal in de Transvaalbuurt plaatsvonden over, en neem u mee op een wandeling waarbij ik hopelijk ook voor u herinneringen oproep. We slaan vanuit de straat rechtsaf de Schalkburgerstraat in en nemen dan de eerste straat links: de Transvaalstraat. Aan de linkerkant, 20 meter van de hoek af, was een herenkapper waar wij op order van moeder ons haar lieten knippen. Speciale opdracht van moeder "Kort met een kuifje".

 

Halverwege rechts van de straat, voorbij het Transvaalplein, was een verdiept gedeelte waar een van mijn vriendjes woonden en een hoefsmid. Er waren in mijn jeugd zoveel paarden dat mijn vader voor ons een karretje had gemaakt om op straat paardendrollen op te scheppen voor zijn volkstuin. De hoefsmederij was voor ons, kinderen, een gebeurtenis op zich. Paarden die op hun beurt stonden te wachten of onder behandeling van de smid waren. Vanwege de vele belangstelling en daardoor drukte voor de smid en de paarden werden we weggestuurd. We sloegen rechtsaf door een klein stukje Paardekraalstraat naar de Transvaalkade. Daar was een, in mijn kinderogen, grote botenstalling waar mijn vader zijn roeiboot waar hij mee ging vissen had liggen. In die tijd liep de Transvaalkade door tot aan de Amstel en de andere kant op kon je onder de brug van de Linneausstraat en Middenweg naar Diemen varen om te eindigen aan de scheepswerf van Dorenbos.

 

We mochten met vader soms mee om te vissen en vooral onder de brug was het spannend omdat je diep moest bukken en je met je handen onder de lange en haast pikdonkere brug door trekken. Na de vistocht werd de gevangen vis in het zuur gelegd of als het mooie grote rietvoorns waren gebakken. Tegenwoordig eet haast niemand meer zoetwatervis. Tegenover de botenstalling was een dierenwinkeltje waar je een hondje of een poesje kon kopen maar ook maden en wormen. We lopen door en slaan aan het eind van de kade bij de brug rechtsaf richting Ringdijk. Bovenop de dijk, jawel, een hoefsmid. Al lopend passeren we links beneden de Cornelis Drebbelstraat en de Willem Beukelstraat en iets verder de Wakkerstraat. Daar was bakkerij Deudekom waar wij ons brood moesten halen op bonnen de we van de Sint Vincentius vereniging kregen omdat we arm waren. Het was wel altijd het brood van de vorige dag maar het smaakte ons als koek. Daarom begonnen we op weg naar huis de kapjes af te breken, aten die op en probeerden thuiskomend te ontsnappen aan verdiende straf. Let wel, de oorlog met zijn ontberingen moest nog beginnen maar wij hadden ook toen altijd honger.

 

Nadat we de Bessemerstraat gepasseerd zijn is aan onze rechterhand de Schalkburgerstraat weer in zicht. Maar om er vanaf de dijk te komen moest je een houten bruggetje over, door ons vanwege de verfkleur het gele bruggetje genoemd. Vanaf de dijk ging je naar links via een houten trap naar beneden waar de ijzergieterij is. Daar werd in hoge vuren ijzer en misschien ook ander metaal gesmolten waar nieuwe dingen van werden gemaakt. Om af te koelen stonden de bekistingen waarin het gloeiende metaal in een vorm was gegoten af te koelen en als je geluk had dan zag je soms dat ze er een openbraken en werd de inhoud zichtbaar. Dus via de trap naar beneden en dan rechtsaf. Eerst grasland en dan boerderij De Eenhoorn. Weer grasland en dan tot aan de Schagerlaan huisjes en een enkele winkel. Schoenmakerij Ekelschot was daar en dat is nu ook nog een bekende naam want in de Pretoriusstraat is ook een schoenmakerij van Ekelschot. Dan de Schagerlaan. Op de linkerhoek een kapper waar we altijd water mochten drinken, aan de rechterhand een kroeg met een fors uitgevallen kastelein. De Schagerlaan had veel weg van de Bessemerstraat en ik herinner me een boerderij aan het eind van de straat rechts. Daar logeerde een jongen die met ons wilde mee wilde doen met spelen op het landje. Hij kwam uit Belgie maar ik weet verder niets van hem.

 

Dan terug naar de dijk en naar de Eerste Ringdijkstraat. Daar was o.a. het woonhuis van Ekelschot en aan het eind woonde mijn vriend Kees Buis. Hij woonde in het laatste huisje van de straat zoals Theo Bon in de Bessemerstraat woonde. Ook aan het eind. Als je doorliep, en wij deden dat, zag je heel in de verte de rij bomen van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. De Wetbuurt bestond nog niet, alle bebouwing vanaf de huidige Nobelstraat die ook nog niet bestond tot aan de volkstuintjes van  Klein Danzig was er niet. Ja, ruigte om heerlijk in te spelen.

 

Betondorp bestond deels wel, die buurt ontstond na 1918. Ook het Amstelstation bestond nog niet maar omstreeks 1939 werd het station opgeleverd. Voor ons dus alle ruimte om te spelen. Op het landje zoals wij kinderen het noemde. Boerenslootjes, struikgewas, riet en hoge grassoorten werden ons paradijs. Dat gevoel werd nog vergroot door de aanvoer van enorme bergen zand voor de bouw van het station. Ook werd er een soort spoorlijntje aangelegd vanaf de hopen zand  waarop kiepkarren of lorries  gevuld met zand naar de bouwplaats werden gereden. Een ideale plek om indiaantje te spelen, fikkies te maken en je uit te leven tot je doodmoe weer naar huis ging. We moesten als echte indianen ook gevangenen maken. Daarvoor werd in een zandberg een soort grot uitgehold en met dikke taken als spijlen afgesloten. Nu, terugkijkend, was Rinus van Olderen wel vaak de gevangene geweest.

 

Toen is het ergste gebeurd wat je je als kind kan voorstellen. Ik was negen jaar. We waren aan het eind van de middag naar huis gegaan om te eten en mochten na het eten weer gaan spelen. Natuurlijk naar het landje. Maar eerst ging ik naar de Smitstraat waar Jopie de Jonge woonde, om te vragen of hij meeging spelen. Zijn moeder kwam aan de deur. “Wat? zijn jullie al thuis geweest? Waar waren jullie aan het spelen? Kom op we gaan hem zoeken en dan zwaait er wat. Het is voor hem de laatste  keer geweest”.
Dat was het ook want na heel veel gezoek vonden we Jopie, dood onder het zand. Hij was geen gevangene geweest, maar blijven spelen met dit vreselijke gevolg.

 

We verlaten het landje en gaan naar het Groene bruggetje over de Ringvaart voor de thuisreis. De Transvaalkade op, die helemaal doorloopt tot aan de Linneausstraat. Maar zover gaan we niet. Op dit deel van de Transvaalkade valt niets te beleven. We lopen door via De La Reijstraat, passeren het pleintje waardoor de Kraaipanstraat wordt onderbroken en slaan rechtsaf de Louis Bothastraat in. Voor wie wil weten wie Louis Botha was heel kort: Opperbevelhebber Transvaalse leger in de boerenoorlog en eerste minister president van de Unie van Zuidafrika. Hiermee eindig ik deze wandeling met uitleg. Als ik ertoe kom zal ik de volgende keer schrijven over de gruwelijk gebeurtenissen in de straat.

 

 

 

Harry Koopman.

 

Alle rechten voorbehouden

85 keer bekeken

Bekijk meer afbeeldingen

Een keuken uit de jaren 50 in de  Louis Bothastraat.** .<br />Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Een keuken uit de jaren 50 in de Louis Bothastraat.** .
Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Alle rechten voorbehouden

Geen reacties

Voeg je reactie toe