Op de foto uit ‘59 zie je de kamer ensuite. De schuifdeuren staan open, voor de gelegenheid is er een lange tafel tussen geplaatst, we hadden een feestje.
Wij woonden er met mijn ouders en zes kinderen. In de voorkamer sliepen mijn ouders en stond het ledikantje. De achterkamer met kleine serre was het
woongedeelte en er stond een opklapbed. In een krap zijkamertje konden net twee stapelbedden staan, daar sliepen de vier andere kinderen.
Mijn vader was melkrijder, vaak was dit ‘nachtwerk’. Hij reed met een vrachtwagen naar de melkfabriek op de Overtoom om de bussen melk op te halen en vervolgens op verschillende plekken af te leveren. Mijn moeder zorgde voor ons gezin en af en toe hielp zij een buurvrouw, door de was voor haar te doen. Onze gang hing dan vol met wasgoed. Mijn moeder was heel precies en goed georganiseerd. Iedere maandag kwam ‘de huurophaler’ bij ons langs. Dit was een man met een grote leren tas. Op zondagavond lagen er op ons dressoir dan acht stapeltjes muntjes, de huur van acht buren. Mijn moeder had dit keurig verzameld met bij ieder stapeltje een briefje.
Wij waren een katholiek gezin. Vooral mijn moeder vond het belangrijk dat wij naar een katholieke school gingen. Mijn kleuterschool was in de ‘Lange Nekstraat’, zo noemden wij het. Voor de lagere school gingen wij naar de andere kant van de Ringdijk, dan moest je echt een stuk omlopen en dat vier keer per dag. De Maria Immaculata School zat in de Simon Stevinstraat, daar kregen wij les van de Zusters.
Vooral mw. Schothorst was erg streng. Wij waren een meisjesschool en er tegenover zat de jongensschool.
Onze kerk, de Christus Koningkerk, was eerst in een oude fabriekshal in de Bessemerstraat. Later werd er een nieuwe kerk gebouwd.
In mijn buurt heb ik me altijd veilig gevoeld. Het was een diverse buurt, een grote gemeenschap. Er was sprake van saamhorigheid. Over de oorlog werd niet gesproken, maar gefluisterd. Als kind voelde je dat het een beladen onderwerp was. Soms hoorde je verhalen over de joodse buren, die de oorlog overleefd hadden. Ome Manus en Tante Anne hadden in hun eigen huis ondergedoken gezeten. Over groenteboer Ome Simon zijn dikke buik maakten wij grapjes. Dit vond mijn moeder niet goed, zij wist hoe mager hij uit het kamp was teruggekomen. Onze bovenburen waren communisten.
Spelen deed ik veel met mijn zusjes. We speelden bij de spoordijk, we noemden het ‘de bossies’. Het was ons verboden om op het spoor te spelen, maar mijn broer deed dat toch. Als de buurvrouw dit zag, dan riep ze naar mijn moeder:” Alie, hij zit weer op het spoor!”.
Ik herinner me nog de vele winkeltjes in de buurt. Het snoepwinkeltje ‘de kindervriend’ was favoriet. Een buurman was alcoholist en vroeg ons soms om een fles jenever te halen. Dan kregen wij een stuiver, waarmee we snoep kochten bij ‘de kindervriend’.
De vijfde klas heb ik nog afgemaakt en daarna zijn wij naar Osdorp verhuisd. Mijn woning op de Tugelaweg is er niet meer. Wat had ik daar graag nog een keer een kijkje willen nemen.