Majka tekent een huis. Ingespannen buigt zij zich over haar vel papier. Op de houten vloer, naast haar stoeltje, projecteert de zon witte vlekken door de grote raamkozijnen. Majka let er niet op. Ook luistert ze niet naar de kinderstemmen en het stoelengeschuif om haar heen. Alleen wanneer iemand het potje met kleurpotloden naar zich toe wil trekken geeft ze een grauw. Ze legt beschermend haar arm er omheen.
Ze tekent een voordeur met twee ramen aan weerskanten. Ze geeft het huis een puntdak en een schoorsteen, waar krullerige rook uitkomt. Daarboven schijnt de zon, geel met naar alle kanten stralen. De zon heeft geen ogen en geen mond - dat is onzin, heeft pappa gezegd, een zon met een gezicht. Blauwe wolken; maar wolken zijn toch eigenlijk wit? Ze zou de lucht helemaal blauw kunnen kleuren en de wolken wit laten, niet opvullen. Straks moet ze de muren van het huis ook nog inkleuren. Eerst begint ze aan het gras en de bloemen naast het huis.
ย
Er valt een schaduw over het papier. De juffrouw staat achter haar. 'Mooi, Majka, wat ziet dat er kleurig uit, dat huis met al die bloemen er omheen. Is dat jullie huis?'
Majka draait zich om, kijkt de juffrouw aan en schudt dan snel haar hoofd. Natuurlijk is dat niet haar huis! Weet de juffrouw niet waar ze woont?
'Nee? Zomaar een huis dan? ย Het is in ieder geval een heel vrolijke tekening.'
Terwijl de juffrouw verder loopt, denkt Majka na. Een tekening van haar eigen huis in de Zacharias Janssestraat? Dat zijn een paar ramen en een balkon in een lange straat. Je zou een stuk van de straat kunnen tekenen, als รฉรฉn langgerekt huis met een heleboel voordeuren. Achter รฉรฉn van die deuren, aan het eind van een lange trap woont Majka met haar ouders en haar zusje Rita. De bovenburen lopen over dezelfde trap. Hoe zou je dat allemaal moeten tekenen? Ze maakt liever een gewoon huis, zoals de plaatjes in voorleesboekjes: een echt huis met een eigen voordeur, met een woonkamer en een keuken beneden en slaapkamers boven. En met een tuin natuurlijk. Kinderen spelen in de tuin en kruipen door de heg naar de tuin van het buurmeisje.
ย
'Waarom hebben wij geen tuin?' vraagt zij, als mamma haar komt halen. Het is druk op het schoolplein naast de houten noodgebouwen van de kleuterschool. Overal lopen kleuters; sommige beginnen meteen als zij buiten komen te rennen. Mamma bukt zich en knoopt Majka's das beter om. Majka klemt haar tekening vast. Ze kan het papier bijna niet voelen door de dikke wollen wanten heen. Haar ogen beginnen te tranen in de wind. Als ze nu maar gauw thuis zijn. Ze trekt aan mamma's hand.
'Hoe kom je daar nu bij, een tuin?' zegt mamma. 'Wij wonen toch boven, dan kun je toch geen tuin hebben? We hebben een balkon.'
'Maar waarom wonen wij dan boven? Kunnen we niet in een echt huis gaan wonen?'
Ze voelt mamma's hand verstrakken. 'Vraag dat later nog maar eens, als je wat groter bent,' zegt mamma. Dat krijgt Majka wel vaker te horen. Alsof zij al haar vragen kan onthouden voor later!
Mamma doet de voordeur open. Ze sorteert de post op de mat en legt het stapeltje voor de bovenburen op de onderste trede van de trap. De rest neemt zij mee naar boven. Er is een kaart bij. 'Van tante Margot,' zegt mamma, terwijl ze naar de keuken loopt en de fluitketel op het fornuis zet. 'Ze krijgt een ander huis.' 'Waarom?' vraagt Majka. 'Haar huis is te klein geworden.'
Het kan dus wel, denkt Majka, in een ander huis gaan wonen. Maar pas als je oude huis te klein geworden is. Hoe zou dat gaan, een huis dat te klein wordt? Ze kijkt naar de muren van de keuken. Zouden die naar elkaar toeschuiven tot er nog maar een heel klein stukje keukenvloer over is? Hoe lang duurt dat dan? Zou ze dan al groot zijn?
ย
Als Majka naar bed gaat, moet ze zachtjes doen, zegt pappa: Rita slaapt al. De deur van hun kamer, aan het eind van de gang, staat op een grote kier. Door de kier ziet ze de enge zwarte man. De enge man is eigenlijk pappa's jas aan de kapstok, met zijn leren motorkap erboven. Als het licht in de gang brandt, is er niets aan de hand. Maar zodra het donker wordt, veranderen de jas en de kap in de zwarte man. De hele nacht staat hij naar haar te loeren. Als ze naar de wc loopt, probeert hij haar te grijpen. Ze moet wel langs hem lopen, want het lichtknopje is aan de andere kant van de kapstok. Rennen dan maar! Deze keer krijgt de zwarte man haar niet te pakken. Als zij net weer in bed ligt, hoort ze de voordeur dichtslaan. Het licht op de gang gaat aan en de zwarte man verandert in pappa's jas. Beneden op de trap klinken luide stemmen. Het zijn de bovenbuurjongens met een paar vrienden. Ze rennen naar boven, lopen de gang door en klimmen langs de volgende trap naar hun eigen huis. Gelukkig, ze vergeten het licht uit te doen. Als Majka nu weer naar de wc moet, hoeft ze niet bang te zijn. Mamma zal morgen wel weer mopperen dat 'de bovenburen altijd het licht aanlaten'.
ย
lees verder:Enge mannen, deel 2