ย
Toen de oorlog uitbrak moest mijn vader al snel onderduiken omdat hij joods was en in het communistisch verzet zat. Hij kwam in Tilburg terecht.
Mijn moeder bleef met ons in de Retiefstraat. Soms gingen er geruchten dat ook โhalf-jodenโ gevaar liepen. Zo hebben wij meerdere malen ondergedoken gezeten in Rotterdam bij de zus van mijn moeder. Zij woonde tegenover een โwaterstokerโ, waar mensen kokend water kochten om hun was te doen en daar was een telefoon. Mijn moeder belde haar dan vanuit een winkel in de buurt om te zeggen met welke trein wij kwamen. Het was spannend, vooral ook omdat de man van mijn tante een NSB'er was! Zodra wij van familie in Amsterdam hoorden dat het โvals alarmโ was, dan keerden we na weken weer terug naar huis.
Wij werden onderhouden door de communistische partij. Grote Frans, zelf gevlucht uit Duitsland en kleine Frans brachten ons bonnen. Ik herinner me de razziaโs nog, de hele Retiefstraat was dan afgezet. Mijn oom Jonas Vlessing was getrouwd met Debora Franschman, zij hadden een zoon Levi en woonden naast ons op nummer 85, 1 hoog. Op een gegeven moment is Jonas opgepakt en zat vast in Westerbork. Debora en Levi zijn hem gevolgd, om als gezin weer bij elkaar te kunnen zijn. Ik ben toen met mijn moeder en โgrote Fransโ meegelopen om hen weg te brengen. Vanaf de Sjoel aan de Linnaeusstraatย tot aan het Muiderpoortstation was het een grote open vlakte. Grote Frans heeft geprobeerd Debora om te praten om te gaan onderduiken. Dit is niet gelukt, zij hebben de oorlog niet overleefd.
Wij zijn twee keer โs avonds na spertijd overvallen door de NEDERLANDSE politie. Zij zochten mijn vader en als ze hem zouden vinden, zeiden ze: โDan gaan jullie allemaal mee!โ Er werd zelfs in de keukenkastjes gezocht!
In de hongerwinter van โ44 hadden we nog maar weinig middelen. We aten gebakken uien in olie, ik was er gek op. Nog steeds eigenlijk, ik kan ze zo rauw op brood eten. We hadden stroop van suikerbieten.
Als oudste zoon en een vader die in Tilburg zat, voelde ik mij verantwoordelijk voor ons gezin. Ik moest al jong de dingen alleen uitdokteren. De vijf blokken van de Handwerkers Vriendenkring stonden vrijwel leeg. Als 12 jarige jongen sloopte ik zoveel mogelijk hout uit de huizen om op te kunnen stoken. We zochten kolen op het rangeerterrein vlakbij, ook dit was niet zonder gevaar.
Met een groepje vrienden speelden we in de lege huizen, best gevaarlijk. Zo zijn we op een dag beschoten door de politie. Een van de meisjes had een kogel in haar kont! Jaren later kwam ik erachter dat, terwijl ik hout uit die huizen sloopte, mijn toekomstige vrouw aan de overkant in de wieg lag. Aan het eind van de oorlog reden de Canadese vrachtwagens vanuit de munitiedepots naar het Amstelstation. Ze waren volgeladen met wapens om te laten vernietigen. Wij renden er dan achteraan aan, klommen op de wagens en stalen wapens, zonder munitie. Ik was voor niks bang.
lees verder:Hoe mijn Transvaalbuurt veranderde, deel III
ย
ย
ย
ย
ย
ย
ย
ย
โ
ย
ย