Het was begin โ63. Mijn moeder schuifelde op lage suรจde laarsjes met spekzolen over het uiterste randje van de Jaap Edenbaan. Ze was een soort juk met emmers: mijn zusje en ik hingen aan haar armen. Als de een op de been bleef, ging de ander wel weer onderuit.
De winter van Elfstedentochtwinnaar Reinier Paping, de personificatie van ijspret en vooral heroรฏek.
De Linnaeusparkweg was opgebroken om te worden geasfalteerd, maar het begon streng te vriezen. Moeders spoten met tuinslangen de straat op zodat we een perfecte ijsvloer hadden. Op mijn houten schaatsen heb ik daar en op de baan leren schaatsen.
Doorlopers
De authentieke Jaap Edenbaan waar de ouderwetse prikkabel met de lampjes als een parelsnoer in de wind danst, die ik af en toe verguis als het dagen achtereen regent, moet nooit overkapt worden. De baan waar BNโers kwamen voordat ze zo heetten: Anneke Grรถnloh kreeg er koude voeten na Brandend Zand. Die baan mag nooit verdwijnen voor huizenbouw, bedacht door een of andere bewindsvoerder die niet eens in de Watergraafsmeer woont.